tr>
ARTIKEL

TEKENEN

UIT DE OUDE DOOS

DEEL I

Dit boekje dateert uit de tijd dat
mijn vader les gaf aan de lagere
school. Hij werd “meester” op 17
jarige leeftijd in 1926, in Oudega.
Ik denk dat dit boekje wat later
door hem gebruikt werd, c.a. 1946.
Als klein meisje mocht ik de voor-
beelden overtrekken en later na-
tekenen. In veel stellingen die ik
in de inleiding tegenkom kan ik me
nog altijd vinden.

Ik ben erg benieuwd hoe jij er tegenover staat!

Wil je reageren op de artikelen "Tekenen uit de oude doos",

dan kun je dit doen per e-mail
Intro uit “Hoe teken je….?” van P. van Duyvendijk, tekeningen van J. de Vries.Handleiding voor
de onderwijzer(es), uitgegeven door N.Samson N.V, Alphen aan den Rijn.
Aanwijzingen en beginselen voor het
leren tekenen. Het doel van de methode
is: een systematische leergang te geven
voor het ontstaan van een goede schets-,
teken- en kleurtechniek in L.O. scholen
ten dienste van al het daar gegeven
onderwijs.

Hierbij kun je denken aan het vasthouden van
een potlood, zoals bij het schrijven en het maken
van een vloeiende teken- schrijf bewegening.

Initiatief: Er moet gebroken worden met het kopiëren en het accent moet resoluut verlegd word-
en naar het kinderlijk initiatief, waarmee tevens gezegd is, dat in het begin van de methode
het naïef tekenen een onmisbaar element van het tekenonderwijs is. In plaats van kopiërend
tekenen geeft deze methode tekenopdrachten met voorbereiding.

Naïef tekenen onvoldoende grondslag: Het spontaan joelen, roepen, lachen, fluiten en neuriën
vormen geen toereikende basis voor het onderwijs in zang en muziek; de dialectische, naïeve
kinderpraat kan niet uitsluitend fundament van ons taalonderwijs zijn; het vrij buitelen,
huppelen en hollen wordt terecht door niemand zonder meer als grondslag van het onderwijs in
lichamelijke oefening aanvaard. Zo zal men ook een stelling moeten nemen tegenover hen, die
bijna uitsluitend of zelfs uitsluitend het naïef tekenen van de kinderen tot grondslag van het
tekenonderwijs willen nemen.

Wèl studie materiaal:De naïeve kindertekening is belangwekkend en belangrijk studie-materiaal
voor de kinderpsycholoog en voor de tekenleraar; maar als expressie-middel heeft ze minder
practische waarde dan de taal, de gesticulatie, de mimiek en de zang; ze kan zelfs door haar
schematische inslag tot het twaalfde levensjaartoe de vormopvatting der dingen ongunstig
beïnvloeden.Klassikaal èn individueel:Met de klassikale leiding zal individuele uitwerking van
goed voorbereide opdrachten samen moetengaan, omdat alleen bij eigen initiatief en oefening der
leerlingen de cultivering van een techniek of een expressie-middel mogelijk is.
Eenzijdige en kinderlijke behoefte:Rousseau heeft gezegd: “Ik wil, dat hij (Emile) geen andere
leermeester zal hebben dan de natuur en geen andere modellen dan de voorwerpen. Ik wil, dat hij
het origineel onder de ogen zal hebben en niet het papier waarop het voorgesteld is; dat hij een
huis naar een huis, een boom naar een boom, een mens naar een mens tekent….”Deze eenzijdige
verwerping van het tekenvoorbeeld miskent de imitatie-zucht en de autoriteitsbehoefte der
kinderen.

Aan deze beide tendensen in de kinderziel zal een goede tekenmethode moeten tegemoet komen,
zonder dat de imitatie tot domweg kopiëren voert, of de autoriteitsbehoefte tot slaafse
navolging.

Tekenonmacht: “Hoe teken je? ”Het onvermogen bij het naïef weergeven van wat een kind heeft
waargenomen en wat het zich innerlijk voorstelt, doet vele malen vragen:
“Hoe teken je een boom? Hoe teken je een paard? Hoe teken je straatkeien? Hoe teken je gras?
Hoe dennen naalden aan de kerstboom?"

Aanwijzing nodig: Ook bij de diepte-
weergave blijkt dat onvermogen, nog
lang nadat de diepte begrepen wordt;
daarom moet niet gewacht worden op
spontane ontdekkingen der kinderen
in dit opzicht, maar moeten we,
zonder vóór het zevende leerjaar
systematisch aan perspectief te doen,
er geleidelijk op wijzen, dat op af-
stand de dingen kleiner lijken, dat
de verte de vormen vervaagt, dat
evenwijdige lijnen naar elkaar toe
lopen.
Autoriteitsbehoefte: “Het normale kind vraagt om voorschriften, het vraagt naar algemeen geldige
normen. Het kind is zo aangelegd, dat het ook behoefte heeft aan een uitspraak van ouderen
“hoe het moet”.(Prof. Dr. J. Waterink: Innerlijk beleven en kennen in de structuur der
opvoeding.)

Imitatie en motoriek: Daarom moet van de imitatie-drift der kinderen veel meer profijt getrokken
worden dan tot nu toe gebeurd is, door duidelijk aan te tonen, hoe sommige moeilijkheden bij de
uitbeelding overwonnen moeten worden; hiertoe dient de motoriek als integrerend deel van het
tekenonderwijs aan kinderen ingeschakeld te worden, om de nabootsing doeltreffend te maken.
Mevr. Belinfante Ahn concludeerde, dat het eerste tekenen der kinderen “een verstoffelijkt
gebarenspel is, van motorisch-optische oorsprong”.
Bewegingen als voorarbeid:
Het visueel waarnemen der dingen,
maar ook der lijnen, wordt gesteund
door beweging der oogspieren; het
nagaan met de hand van kop- en rug-
lijn van een hond versterkt de vorm-
opvatting; evenzo het volgen met de
wijsvinger door de lucht van schrijf-
en teken-vormen op het zwarte bord;
ook het herhaaldelijk overtrekken van
juiste vormen op transparant papier
met de potloodpunt.

Overhaal oefeningen:
’t Knippen of scheuren van papier en
’t boetseren in klei kunnen eventueel
de vormopvatting steunen.Veel metho-
dische vóórarbeid is nodig voor jonge
kinderen. De leuze “Alles vom Kinde aus”
is onhoudbaar voor ieder, die erkent,
dat goed tekenonderwijs noodzakelijk de
gedachte aan leiding inhoudt. In zijn
proefschrift concludeert Dr. Vedder:
“Het bleek mij, dat normale kinderen op
de leeftijd van 6½-jarige leeftijd (bij
vele kinderen zelfs op zesjarige leeftijd)
het intellectueel niveau dus een derge-
lijk peil bereikt heeft, dat het kind
in staat is, de structuur ener figuur
te doorzien en abstract-ruimtelijke
betrekkingen te scheppen.”
Motoriek en leerproces: Wie bedenkt, welk een uiterst belangrijke rol deskundigen tegenwoordig
aan de motorische elementen in het leerproces toekennen, zal inzien, dat de zojuist aangeduide
bewegings- en overhaaloefeningen op solide basis steunen. De vrees, dat het aanvankelijke over-
halen tot gedachteloos mooi overtrekken kan leiden, heeft geen grond ten opzichte van genetisch
schetsen, waarbij uit over te halen grondvormen, geleidelijk de tekening ontstaat.
’t Moet in ’t begin een steun voor allen zijn, en weldra alleen voor de zwakke tekenaars.

Schouw- en bouw type:Naast deze beweeg-
lijke waarneming stelt deze methode de
synthetische functie in het volle licht.
Richard Rothe onderscheidt consequent
onder de tekenaartjes het schouwtype en
het bouwtype. Het eerste type staat sterk
onder de invloed van de waargenomen ob-
jecten en is dus impressief als tekenaar;
het is geneigd een totaal-beeld van het
waargenomene te geven in “éénlijnige
omtrekkingen”.
Het bouwtype daarentegen is meer ex-
pressief; het stelt stuk voor stuk de
delen samen tot het weergeven van het
innerlijk voorgestelde geheel; het is
dus meer synthetisch georiënteerd dan het
eerste type. Geen enkel kind echter is
uitsluitend van het “schouwtype” of van
het “bouwtype”; daarom is een werkwijze
gewenst, die deze theoretische uitersten
overbrugt.

Genetische tekeningen:
De oplossing is op gelukkige wijze te
vinden in de genetische tekeningen zoals
die door R. Rothe, J. van Dijck,
F. Liénaux en L. Lanckneus, enz. worden
geboden.
Ook in de methode “Hoe teken je….?”worden
ze herhaaldelijk toegepast. Ze zijn zó
eenvoudig gehouden, dat iedere onderwijzer-
(es) ze zonder aarzeling op ’t bord zal
voordoen. Dan volgt de beweging met de
wijsvinger door de lucht en op de bank en
vervolgens voor de kleintjes de genetische
overhaaloefeningen, welke al gauw in aantal
afnemen. Dit zijn de voorbereidingen voor
de eigenlijke taak: de tekenopdracht zelf-
standig uit te voeren, waarbij waarneming,
geheugen en initiatief, als drie even waar-
devolle factoren, tot een verheugende
prestatie kunnen voeren.

Ornament en initiatief:
De behoefte aan ornamentale elementen
in het tekenen, welke zich reeds in het
eerste vrije kindertekenen uit, moet van
’t begin af bevrediging vinden. Ze uit
zich vooral door herhaling, rhytme,
ordening en kleur-verdeling. Daarom wordt
in deze methode veel aandacht aan randver-
sierinkjes besteed, waarbij steeds weer
een beroep gedaan wordt op het initiatief
der leerlingen. “Eén terrein is er, waarop
de automatische herhaling zijn nut ongetwij-
feld bewijst. Dit is bij het versierend te-
kenen, wanneer motiefjes gerangschikt moeten
worden.
Geen “kunst om de kunst”:
Het tekenen als “kinderkunst-om-de-kunst” moet
op de lagere school m.i. niet beoefend worden;
vijf of zelfs meer lessen aan één (gekopiëerde)
onberispelijke tekening te laten besteden, is
onverantwoordelijk; de tijd is te kostbaar en
de leerlingen leren met dat angstvallige nameten
en volgen van lijnstukjes niet tekenen.
De opmerking, dat de kinderen het toch wel gráág
doen en dat er toch tenslotte wat moois ontstaat,
waaraan de leerlingen aesthetische vreugde beleven,
is niet steekhoudend.

De kinderen genieten er altijd van, als er door hun arbeid iets (moois) ontstaat, ’t zij de
afdruk van een cent onder papier op dat papier al wrijvende doen ontstaan,’t zij de afdruk van
een cent onder papier op dat papier al wrijvende doen ontstaan,’t zij ze plakplaatjes van ’t ene
papier op ’t andere doen kleven in heller kleuren, ’t zij ze een popje van stopverf kneden, of
iets uit papier knippen…. Dit alles is uiting van hun productieve drang en deze vindt ten slotte
in echt tekenen een natuurlijker en voller bevrediging dan in het naprutsen van lijntjes.

Vlotheid:
Elke tekenopgave, naar eigen initiatief, maar
goed voorbereid, moet in 1 á 2 tekenlessen klaar
komen. Occasionele oefeningen in het snelschetsen
mogen niet ontbreken; ze houden nauw verband met
het geheugen tekenen Opdr. 18b: Teken een mooie
vaas met 4 gekleurde tulpen er in en daarnaast
een ronde goudviskom met één goudvis en een klein
takje groen, geheugen tekening uit no. 11

Einddoel: De school heeft nodig: een geleidelijk
onstaande schets-, teken- en kleur-techniek, en
in dit opzicht heeft de onderwijzer pas zijn doel
bereikt, als het gros zijner leerlingen in de
hoogste leerjaren eenvoudige voorwerpen naar de
natuur op vlotte wijze draaglijk weergeven kan,
en uit het hoofd of ook naar aanleiding van plaat-
jes, of bordschetsen, vaardig een tekening kan
overnemen of ontwerpen naar eigen cachet.
Volgorde?: De in deze tekenmethode geboden onderwerpen behoeven natuurlijk niet in de gegeven opeen-
volging aan de orde te komen.Sommige onderwerpen als: “bomen in de herfst”, “de sneeuwman”,
“de kerstboom”, “palmvormen”,enz. komen in behandeling, als de tijdsomstandigheden of het onderwijs
er aanleiding toe geven.
Kleuren:“De kleuren zijn het kind een behoefte….
De kindertekening is zonder de kleur dan ook
nauwelijks denkbaar.”(J.Altena). Weloverwogen
kleuroefeningen, vooral aan de zelf ontworpen
tekeningen en hun omrandingen uitgevoerd, ont-
breken dan ook in deze methode niet. In klas I,
II en III worden naast de zwarte potloden vier
kleuren gebruikt: rood, groen, geel en blauw.

Begrip – tekeningen:Op de scholen voor het L.O. komen de leerlingen niet boven het begrip-tekenen
uit; d.w.z. een kind tekent een lamp, een boom, een populier, een hond, een man, en niet natuurge-
trouw een bepaalde lamp, déze boom, gindse populier, die hond, of ’t gezicht van zijn buurman.
Pas na de twaalfjarige leeftijd is de getrouwe gelijkenis te vergen.

Niet kopiëren:In verband hiermee is de eis in klas 1 t/m 6 niet te stellen, dat de kindertekening
een precieze reproductie van het voorbeeld moet zijn. Trouwens daartoe worden de voorbeelden in
deze methode ook nooit gegeven: ze zijn slechts mogelijkheden van uitbeelding van hetgeen de
leerlingen in natura hebben waargenomen, of van wat ze zich voorstellen, of modellen naar aanleiding
waarvan opdrachten worden gegeven. De voorbeelden en de genetische schetsen zijn samen dus altijd
slechts voorbereidingsmateriaal voor het uitvoeren der tekenopdrachten.

Eenvoud:Opgaven als: “brand”, “marktdag”,
“het havenbedrijf”, “in de vacantie”, zijn
voor de kinderen veel te moeilijk. Dat het
tekenvermogen er onvoldoende door ontwikkeld
wordt, blijkt uit het feit, dat bij zulke
veelomvattende expressie opdrachten de
weergave der objecten in het vijfde en zesde
leerjaar nog zeer primitief blijft en te
weinig uitgaat boven de weergave in het
tweede en derde leerjaar.Daarom is alle
gecompliceerdheid in deze methode vermeden
en worden alleen af en toe combinaties van
reeds getekende objecten gevraagd, op
grondslag van geheugentekenen.

Lees verder in deel II van "Tekenen uit de oude doos".