tr>
ARTIKEL


TEKENEN

 UIT DE OUDE DOOS

DEEL II

KARAKTERISTIEK VOOR HET 1STE LEERJAAR.

Bordwerk: De kinderen zijn nog geheel in de
schema-periode; de voorbeelden moeten dus
in schematische vorm blijven, zonder details,
de kleur van een eendenkuiken, citroen, tulp
of goudvis, wordt niet gevarieerd.
De genetische opzet van elke tekening wordt,
na beschouwing van ’t complete voorbeeld,
eerst op het bord flink groot getekend door
de onderwijzeres, zoals dat aangegeven is
naast elk voorbeeld. Die opzet moet voor de
ogen van de leerlingen ontstaan: deze zien
dan de bewegende hand beginnen, en de hoofd-
vorm groeien uit een paar kordaat opgezette
dunne krijtlijnen. De genetische vormen
worden dan door de leerlingen met de vinger
wijzende en “schrijvende” gevolgd, waarbij
de nadruk gelegd wordt op ’t begin, de rich-
ting, de ononderbroken gang en de luchtigheid
van de schetslijn.Telkens moet er op gewezen
worden, dat je bij ’t tekenen het potlood
precies vasthoudt als bij het schrijven, dat
tekenen zo iets is als schrijven, en dat dus
een lijn “niet in stukjes, maar ineens” moet
worden “geschreven” en dan vooral héél
dunnetjes; de lijnen mogen niet door het pa-
pier heen op de achterkant te zien zijn!

Overhalen: Hierna volgt het overhalen van de bij ’t voorbeeld gegeven genetische schetsjes op
transparant papier; onder dat overhalen worden vaak de aanmaningen herhaald, die bij de bords-
chetsen al gemaakt zijn, b.v: “niet op het potlood drukken”; “losjes schrijven”; telkens weer
de goede kant uit, overhalen”; “geen lijnen in stukjes maken, maar ineens”; enz.Als zo de vorm-
opvatting al bewegende vervolledigd is, en ’t schetsen van de grondvorm in de hand zit, komt
het eigenlijke tekenen van de opdrachten, eerst op een probeerblaadje en dan in het tekenboekje.

De opdrachten: De eerste opdracht naar
aanleiding van een gegeven voorbeeld
is altijd de proef op de som voor de
vormopvatting en weergave van de
aparte objecten
De tweede opdracht is steeds een meer
vrije combinatie van die objecten,
dikwijls met reeds eerder getekende
dingen er bij.

Als ’t enigszins kan naar aanleiding
van een verhaaltje, dat twee,
hoogstens drie minuten duurt,of ook
langer kan zijn, mits het dan voor-
afgaat en de tekenles niet bekort.

:één van mijn oude kindertekeningen
De derde opdracht (àls die gegeven wordt) doet steeds een beroep op het vlot uit het geheugen
tekenen van vroeger getekende dingen; deze opdracht, die de onderwijzeres uitbreiden kan, al
naar er tijd beschikbaar is, bereidt dus het vlug schetsen en het illustratief tekenen voor.

Dat de lijnen aanvankelijk niet gaaf en strak worden, mag geen bezwaar heten; dat komt op de
duur door veel tekenen wel terecht, en er is in deze afdeling A met de voorbeelden en
opdrachten op gerekend, dat een gedeukte lijn toch nog een redelijk resultaat kan geven; is
niet menig lampion wat gedeukt, is niet een sneeuwman wat nonchalant gevormd, of is niet een
teddybeer wat onbehouwen?
Alleen daar waar een zuiver rondje
gewenst is, zoals bij het bellen-
blazen van no. 20 late men desnoods
een forse mantelknoop voor ’t om
trekken gebruiken; maar beter is
het, zelfs die rondjes uit de vrije
hand te laten tekenen.

Vragen aan de leerlingen: Het geven
van tekenopdrachten sluit de wense-
lijkheid, ja de noodzakelijkheid in,
de leerlingen door vragen tot bezin-
ning te brengen, over wat ze gaan
doen. Voorbeelden: no. 2 “Wat is er
langer, een badhanddoek of een
kinderbroekje", "Waarom moeten de
knijpertjes zo ver als ’t kan van
elkaar af?”, “Kijk eens of dat op
de mooie tekening wel goed gedaan
is”, enz.
No 9: “Kijk, hier komt op ’t bord de kop van de beer; waar moet de juffrouw nu z’n oor
tekenen? Kom eens aanwijzen. En waar z’n oog? Enz. Ook tijdens en na de tekening van de
opdracht moet men vragenderwijs de fouten in de verhoudingen doen opmerken, zonder ooit
afbrekende kritiek te laten horen.Het best is de leiding, als de onderwijzeres onder ’t
tekenen van de opdrachten nu hier dan daar de tekeningen waarderend en bemoedigend bekijkt,
eens een vraag stelt, en zo nodig, met een stukje stuf (dat de leerlingen in klas I nog
niet in handen krijgen) bijna ongemerkt een foutje wegneemt, of een te dik uitgevallen
hulplijn verwijdert.

Kritiek?: Uitstekend is het, voor
of na de opdrachttekening, op het
bord veel gemaakte fouten over-
dreven na te doen zonder namen
te noemen en dan door de leer-
lingen te laten bekritiseren.
Natuurlijk moet dit zonder enige
wrangheid en in de sfeer van
vrolijke scherts gebeuren. Er is
zelfs een voorbeeldnummer geheel
aan gewijd (no 19)

Kleuren:Het kleuren met hoogstens vier kleurpotloden (rood, groen, geel en blauw) moet
steeds in lijnen en nooit door ongeordend gekras of gesmeer gebeuren. Het voordeel van het
kleuren in lijnen is de voortdurende oefening in ’t hanteren van het potlood in schrijf-
of tekenbeweging; die oefening geeft spelenderwijs steeds grotere materiaal beheersing en
lijntechniek. Ook op het bord ‘verluchte” af en toe de onderwijzeres de laatste (voltooide)
tekening van een genetisch rijtje met kleurkrijtjes in lijntjes.

Randjes:De randversierinkjes hebben
hetzelfde technische doel.Ze worden
in ’t tekenboekje gemaakt met de flauw
gedrukte omtreklijn als steun: rondjes,
slingertjes, bloempjes, sterretjes, ook
daar, waar het voorbeeld ze niet bevat.
De bedoeling is, bij die randjes de
kinderen zo vrij mogelijk te laten, nadat
men bij iedere les, die daar aanleiding
toe geeft, eerst een paar ideetjes geopperd
heeft, of een plannetje er toe aan de
kinderen heeft ontlokt, wat natuurlijk het
best is. Ritmisch opnoemen vooraf is in ’t
begin gewenst; b.v. “rondje, stip, rondje,
stip enz. of: rondje, rondje, stip, rondje,
rondje, stip…” enz. De randjes moeten zoveel
mogelijk verband houden met elementen uit de
tekening. De beste tekenaars hebben gauw de
smaak er van te pakken en de beste tekenaars
zijn weldra vindingrijk genoeg. Ze leren
hierbij van elkaar!
Kleurkeuze:De vier kleuren (rood, groen, geel en blauw) zijn voldoende naast het zwart. Zoals met
weet, hecht een kind in de kleuterleeftijd veel aan kleurvariatie en weinig aan kleurkeuze in ver-
band met de werkelijkheid. Of de water plantjes in no. 11 (zie foto boven) groen of blauw zijn,
maakt voor de kleintjes weinig verschil. Alleen bij no. 19 (zie foto “kritiek”) komt ook de kleur-
kritiek aan ’t woord. Ook is voor de voorbeeld vormen volstrekte zuiverheid in klas I niet nodig;
het te ideale voorbeeld kan voor de kleintjes zelfs ontmoedigend werken. Ze staan volstrekt nog
niet kritisch tegenover een onnauwkeurig cirkel omtrek of een ietwat scheef staande lijn.
Niet te ideaal: Maakt een leerling de opmer-
king bij voorbeeld no.7 en vervolgens, dat
de handen helemaal in de mouwen zitten of
e schoenen te vierkant zijn, dan geve men
op het bord aan, hoe je “de handen uit de
mouwen” kunt laten steken en men ronde
voortaan de schoenen af; want kritische
opmerkingen, van de leerlingen komende,
kunnen zeer welkome aanleidingen zijn, om
te laten zien, hoe je ….. tekent. De primi-
tief beginnende tekentechniek, enigszins
verband houdend met het naïeve tekenen,
moet reeds in klas I geleidelijk verbeterd
worden, door steeds te attenderen op de
vormen van de werkelijke dingen (lampion,
vlagjes, beertjes), die men zo mogelijk mee
moet laten brengen.

Vooral ook bij de herhalingsopdrachten, die
telkens de 24x2 opdrachten afwisselen, en
waarbij het visueel en motorisch geheugen
op de proef wordt gesteld, moet men trachten?
te bereiken, dat de leerlingen zich steeds
meer rekenschap geven van wat ze goed of
verkeerd getekend hebben.
En nogmaals wil ik er op wijzen, dat bij elk
nummer de hoofdopdracht dient te worden inge-
leid door een verhaaltje door de onderwijzeres,
dat van de tekening af en toe door een leer-
ling weer eens wordt naverteld.

één van mijn oude kindertekeningen:

De eerste weken op school:

Gedurende de eerste paar weken dient de onderwijzeres zich als doel te stellen: stimulering van
de tekenlust, begin van beheersing van het materiaal en onderzoek naar de tekenaanleg der kleintjes
afzonderlijk. De tekenlust kan alleen gestimuleerd worden door aansluiting bij het naïef tekenen,
dat ter illustratie na een vertelling wordt geleverd. Een half blaadje papier uit een ongelinieerd
cahier voldoet daarbij uitstekend, als er maar een steviger kartonblad onder ligt. Met een potlood-
lijn heeft de onderwijzeres elk half blaadje in twee helften verdeeld. Op de bovenhelft komt nu de
weergave van de eerste helft van het korte vertellinkje en op de benedenhelft de rest.Eerste voor-
beeld. Boven: een broertje en een zusje gaan samen boodschappen doen; het broertje loopt vooraan met
het geld stijf in zijn gesloten hand, het zusje volgt met de lege tas.Beneden: Ze komen met bood-
schappen terug, het broertje draagt de volle tas, het zusje loopt vlak achter hem. Beide tekeningen
maakt de juffrouw al vertellende op ’t bord. Heel eenvoudig! Zo primitief als kleuters tekenen.
Daarna uitvegen en de kleintjes aan ’t tekenen zetten. Op de achter van ’t papier nog maar eens.
Met elke naïeve weergave neemt men natuurlijk genoegen. Ook aparte voorwerpen worden de eerst vol-
gende dagen al besprekende zeer eenvoudig op bord getekend, waarna de tekening wordt uitgeveegd en
de kleintjes aan ’t werk gezet. De tekeningen worden in de kastjes der leerlingen bewaard. Af en
toe worden ze weer voor de dag gehaald, om de kinderen ’t verhaaltje zelf weer te laten vertellen.

De slappe ovaalvorm heeft de overhand: een beertje, een poes, een sneeuwman, mensfiguurtjes (naïef)
worden op ’t bord voorgetekend (voorbeelden dus, bij voorbaat ontleend aan de methodische gang);
ook enkele strakkere vormen, zoals een rijtje voetballen, een twee á viertal eieren, hoepels, een
snoertje mooie kralen, enz. (zie nog eens foto van het beertje). Daarbij is telkens de opdracht:
“Teken dunne lijnen, heel zachtjes moet het potlood het papier raken.” Zodra de lijnen er wat be-
heerst uitzien en ’t papier niet meer mishandeld wordt, mogen de kleintjes enkele getekende voet-
ballen, beertjes, kralen, enz. , kleuren met één kleurpotlood. Dat kleuren in lijnen wordt voor-
gedaan op ’t bord;

eerst komen de verticale kleurlijntjes, daarna
de horizontale.’t Ene kind kleurt in rode lijn-
tjes, ’t andere in blauwe, weer een andere in
gele of groene, en ’n volgende keer krijgt
ieder weer een andere kleur. Het zal vooral van
de grootte van de klas en van de handigheid van
de onderwijzeres afhangen, hoeveel weken dit
voorbereidend tekenen duurt. Voor het tekenen
van de mensfiguurtjes kan de onderwijzeres re-
kening houden met de in de methode gegeven voor-
beelden en met het ontstaan daarvan, zodat dit
eerste naïeve tekenen werkelijk voorbereiding is.
Reeds de eerste keren vestigt de juffrouw er de aandacht op,
a. dat je bij ’t tekenen het potlood net vasthoudt, als bij het schrijven;
b. dat je niet op ’t potlood drukken mag, maar mooie dunne lijntjes moet maken.

Ander voorbeeld, even naïef als het vorige.Op een groot vierkant blok hout bij de timmerman is een
klein blok gezet en de kleine Jaap van de timmerman klautert er boven op.
I. Daar staat hij. Hij staat grappen te maken en valt er af.
II. Daar ligt hij. (De beide blokken worden met verticale lijnen gearceerd: “mooie dunne lijntjes,
dan lijken het echte houtblokken.”) De o-vormen voor romp en hoofd worden altijd, evenals bij ’t
schrijven, bovenaan begonnen; maar kritiseren doen we niet bij dit eerste tekenen. Wél voordoen op
het bord, daarna uitvegen en laten tekenen op eigen gelegenheid. Nog eens en nog eens!

Derde voorbeeld: Toon en Kees komen langs de winkel, waar appels en peren verkocht worden.
I. Ze staan bij twee grote kisten vol appels te kijken.
II. Ze krijgen van de winkelier elk een appel en gaan er mee naar huis.

Het spreekt vanzelf, dat in klassen, waar reeds gedurende de eerste weken aan handenarbeid gedaan
wordt, in welke vorm dan ook, die arbeid betrekking zal hebben op dezelfde voorwerpen als het aller-
eerste tekenen in school. Zo zullen een mutsje, een tas, een blok, een appel uit papier kunnen worden
geknipt of gescheurd. Ook wanneer, na twee of drie weken, de voorbeeldenboekjes in gebruik genomen
zijn, moeten handenarbeid en tekenen elkander blijven steunen.
Bij sommige opdrachten wordt daar nader op gewezen.
Lees verder in deel III van "Tekenen uit de oude doos".