tr>
ARTIKEL

TEKENEN

 UIT DE OUDE DOOS

DEEL III

Karakteristiek van afdeling B (2e en 3e leerjaar):

Vooruitgang: In het tweede en derde
leerjaar wordt de technische oefening
voortgezet in dezelfde geest als in
het eerste leerjaar. Naast de slappe
lijn komt nu al gauw de strakke lijn
(hamersteel, ledikant, enz. die moei-
lijker is.
En weldra komt het bewegingselement in de tekeningen sterk naar voren (dravende jongen, schaats-
enrijders, hardzeilen, enz.). Dit is een natuurlijke voortgang voor de kinderen, die in ’t eerste
leerjaar de leergang A hebben meegemaakt.

ACTIVERING:
Activering en nog eens activering der leerlingen staat op de voorgrond. Naast imitatie moeten
fantasie, eigen initiatief en durf worden aangemoedigd. Aan de opdrachttekeningen mogen de leer-
lingen dus altijd bijzonderheden van eigen vinding toevoegen. Nooit moet aangestuurd worden op
sprekende gelijkenis met ’t voorbeeld uit het voorbeeldenboekje.

OVERHALEN?
Dit mag nog wel in deze klassen door de kinderen wier vormopvatting gebrekkig is op transparant
papier worden overgetrokken, meer speciaal de genetische tekeningen er naast, maar dat overhalen
worde geleidelijk minder toegepast; want de vormopvatting door het oog, gesteund door de vingerbe-
weging in de lucht en op de bank, wordt langzamerhand voldoende. Iedere les bestaat uit de volgen-
de gedeelten:
Gang van een lesnummer:

1. waarneming van de objecten in
school, thuis of buiten; soms een
dag vóór de tekenles
(keukengerei b.v.)

2. waarneming van de voorbeeld tekening met de er naast staande genetische tekening in het voor-
beeld boekje;

3. schets van de genetische tekeningen door de onderwijzer(es) op het bord, waarbij ’t meestal no-
dig is, de lijnen te nummeren, ter wille van een logische en vlotte opzet. De kinderen moeten de te-
kening vlug zien ontstaan! Ook ’t beginpunt (b.v. bij ronde en ovale vormen) moet men duidelijk aan-
geven;

4. natrekken met de vinger in de lucht en daarna op de vank van wat op bord ontworpen is (waarna
alles van ’t bord wordt geveegd);

5. (zonodig op transparant papier overtrekken van de vormen van de genetische en/of de voorbeeld
tekening in het voorbeeldenboekje tot verbetering van de vormopvatting, speciaal voor de zwakste
tekenaars;)

6. tekenen van de opdracht a. die de aparte voorwerpen betreft, desgewenst eerst op een probeer-
blaadje;

7. tekenen van de opdracht b. die vooral combinatie en initiatief vereist;

8. tekenen van de opdracht c, die de onderwijzer(es) in de meeste gevallen bedenkt, ter stimulering
van het snel tekenen en het geheugen tekenen.

Voorbeelden zoals bloemen, eenden,
kinderen, schepen poesjes, hazen,
vlinders, paddestoelen, enz. zijn
daarvoor bijzonder geschikt. Zulke
opdrachten, uit te voeren op losse
blaadjes zijn b.v: “Teken (in vijf
minuten) zoveel crocusjes als je
kunt”; “Teken vlug vijf zittende
poesjes naast elkaar”, enz.
TIJD:
Natuurlijk krijgen ‘t 6e en ‘t 7e gedeelte ’t leeuwenaandeel van de tekentijd daar 1 – 5 slechts
vlugge voorbereidingen zijn en 8 occasionele verdere toepassing. Daar we slechts 24 voorbeelden
per jaar geven, zijn de tekenlessen van twee achtereenvolgende weken voor ieder nummer beschikbaar.
De eerste les tracht men de voorbereiding en de eerste (eenvoudige) opdracht af te krijgen.
Daartoe is nodig, dat men niet treuzelt, maar flink opschiet. Het gepruts met lijntjes moet er uit!
De vormen moeten vlot “geschreven” worden; de grondvormen eerst uiterst dun; dan de details; ook
zeer luchtig; dan de contouren met flinke vaste lijn aangeven; daarna overbodige lijntjes voorzich-
tig met zacht stuf wegstuffen; vervolgens de kleurlijntjes invullen. Is er in de (ongeveer) twee
weken tijd over, dan maar weer opdrachten geven in ’t snelschetsen en geheugentekenen, zoals hier-
boven reeds werd aangegeven. En nooit de kinderen precies binden aan de opdracht, altijd ’t kinder-
lijk initiatief uitlokken en bevorderen. “Teken er maar wat leuks bij.” “En een randje er om.”

OCCASIONAAL TEKENEN:
Ook vóór schooltijd kan men dit
werk toestaan; eveneens in de
speelpauzen, als het weer te on-
gunstig is om naar buiten te gaan;
zodra een taal of rekenles binnen
de gezette tijd af is; ook ’s a-
vonds thuis. Natuurlijk geldt het
hier nooit moeten, maar altijd
mogen! Trouwens, de functie-lust
en de scheppingsvreugde maken het
tekenen, mits door de onderwijzer
(es) prettig gestimuleerd, tot een
fleurig, kleurige factor in het
ganse schoolleven.

Onder de tekenles loopt de onderwijzer(es) aanmoedigend de ontstaande tekeningen te bekijken; een
vraag maakt een kind attent op een foutje; een enkel lijntje wordt haast ongemerkt even verbeterd
bij de zwakste tekenaartjes. Tot in het eind van het derde leerjaar staat een kind kritiekloos te-
genover eigen prestaties; daarom passen strenge afkeuring, afbrekende kritiek of “een laag cijfer”
hierbij absoluut niet, terwijl men met positieve, opwekkende suggestie topprestaties bereikt.

STUF:
Het stukje stuf, dat de leerlingen reeds op de eerste tekenles in de tweede klas in handen krijg-
en, dient dan ook zelden op “fouten” te verbeteren, maar om de dunne hulplijntjes der grondvormen,
waar ze niet meer nodig zijn, voorzichtig weg te nemen. Het stuffen geeft evenals ’t luchtige
schetsen der grondvormen een prachtige gelegenheid tot spierbeheersing. Deze gedachten moeten
gerealiseerd worden: "t Potlood moet eerst ’t papier maar strelen.” “De eerste lijntjes moeten bij-
na niet te zien zijn!” “En ’t is geen stufles, maar een tekenles”, enz. (Liefst één stukje zacht
stuf per bank. Laat de kinderen stuffen tussen de duim en wijsvinger van de linkerhand, die ’t
papier stevig strak houden.)

KLEUREN:
In het 2e en 3e leerjaar worden niet meer dan vier kleuren gebruikt: rood, geel, blauw en groen.
Ook in deze leerjaren biedt het kleuren in lijnen een onschatbare oefening in materiaal beheersing
en lijntechniek.

RANDJES:
Dezelfde oefening bieden ook in deze leerjaren de randjes, die in grote variatie door de leerling-
en zelf ontworpen worden met als enige steun de flauwgedrukte omtreklijnen in de oefenboekjes. Op
de vier hoeken een gekleurde ster of bloem of een cirkeltje of een vierkantje geeft dikwijls een
aardige afsluiting. Zin voor versiering en ornament wordt er door versterkt, de behoefte aan orde-
ning en rhythme wordt bevredigd. Hoewel het voorbeeld het niet geeft, moedige men de leerling aan
een randje te ontwerpen. De daarin verkregen vaardigheid komt al gauw de versiering van taal en
rekenwerk ten goede. ’t Verband met elementen uit de tekening moet, als ’t enigszins kan, door de
kinderen zelf bedacht worden.

Liniaal?Bedoeling is, dat alle
tekeningen uit de vrije hand ge-
maakt worden. Zó alleen leren de
kinderen tekenen. Een uitzonde-
ring kan alleen worden toege-
staan voor zuivere rondjes
(zeepbellen b.v.; daarvoor mag
een flinke mantelknoop gebruikt
worden) en zuivere, lange, rechte
lijnen (zoals de lange zijde van
’t ledikant). Daarvoor dient des-
noods een liniaaltje of een meer-
malen scherp omgevouwen papier-
strookje.

Aan het eind van het derde leerjaar kan op de aangegeven wijze een tekenvaardigheid zijn ontstaan,
die een onschatbare steun vormt voor al het onderwijs in klas 4 tot 8. In die leerjaren worden de
technische tekenoefeningen systematisch voortgezet; maar ze worden steeds meer dienstbaar gemaakt
voor het onderwijs in het algemeen.’t Is dus met ’t tekenen precies als met ’t lezen en schrijven:
in de eerste drie leerjaren der scholen voor L.O. moeten technische vaardigheden ontstaan, die
daarna in de dienst van het onderwijs en het leven worden gesteld.
Bewerkt door A. Larooij